De dag dat ik een sarong droeg

“Nee, de sleutel houd ik zelf. De auto is al open.” Ik omklemde mijn autosleuteltjes krampachtig en keek gespannen naar Joost die mijn auto een car-tuning zou geven. De gluiperd had er de vorige keer mee gereden toen hij de olie voor me ververst had. Ik wist het zeker. Misschien zelfs wel tien kilometer.

Joost was een klusser en het belangrijkste aan Joost was zijn prijs. De buurman had hem mij aangeraden en inderdaad, hij wist het een en ander over auto’s. Zijn werk was nog wel te betalen, dus sinds die dag zorgde Joost voor de eenvoudige klussen.

“Ik kom de auto om een uur of vier weer ophalen,” zei ik, terwijl ik de sleutels in de wijde zakken van mijn gewaad liet glijden. Ik grijnsde tevreden.

Joost haalde zijn schouders op. “Zoals u wilt, mijnheer Wipkaas. Dus alleen die nieuwe uitlaat die we online besteld hebben en de verchroomde wieldoppen?”

“Klopt.”

“En de olie is nog goed?”

Ik knikte. “Ja, dat zit wel snor.” Car-tuning is tenslotte duur genoeg, maar nieuwe wieldoppen en een titanium uitlaat…Dat zou mijn volkswagentje een hele nieuwe ‘look’ geven en dat had mijn trouwe vierwielertje wel verdiend.

Joost keek me aandachtig aan. “Naar India? Op vakantie?”

“Nee,” lachte ik terwijl ik mijn borst vooruit stak zodat hij mijn scharlaken gekleurde sarong beter kon zien. “Ik ga naar een Oosterse lunch. Feestje van mijn vriend Rachid. Hij heeft een zaaltje gehuurd hier vlakbij en iedereen komt met speciale kleding.”

“Oh,” zei Joost, terwijl hij op zijn horloge keek. “Tot vanmiddag dan. Ik moet er vandoor. De tandarts wacht op me. Zenuwbehandeling vandaag.”

“Sterkte,” zei ik meewarig en staarde hem na terwijl hij op zijn fiets sprong en de straat uitreed. Hij draaide zich nog om en schreeuwde iets over een portefeuille.

“Wat? Mijn portefeuille?” Wat bedoelde Joost?

Toen begreep ik het. Mijn portefeuille lag nog op het dashboard van mijn autootje. Geen goed idee.

Ik opende het portier en boog me voorover om mijn portefeuille te pakken. Mijn prachtige elegante sarong gleed gracieus over de bestuurdersplaats en ik knorde tevreden.

“Ziezo.” Ik sloeg het portier goed dicht. “Tijd voor Rachid.”

Ik had niet meteen in de gaten wat er gebeurde, maar nadat ik het angstaanjagende geluid gehoord had van scheurend textiel en mijn gewaad in een flits van mijn pezige lichaam werd gerukt, wist ik dat er iets verkeerd was gegaan.

Ik staarde in afgrijzen naar mijn kapot getrokken sarong. Een deel lag nog in de auto, maar de rest lag als een zielige hoop vergane glorie tussen een platgedrukt bierblikje en een verdacht uitziende bruine vlek op de zanderige straatstenen. Ik rilde toen ik de koele wind voelde die zachtjes langs mijn borst streek.

De auto zat op slot.

Had ik per ongeluk, of misschien uit gewoonte, de knop aan de binnenkant van het portier ingedrukt? Ik wist het niet, maar die auto zat dicht. Potdicht. Het zweet brak me uit.

Een paar kwajongens aan de overkant hadden mij al gezien en terwijl ik verslagen in mijn boxershorts en op mijn Oosterse sandalen aan het portier van mijn auto rammelde, barstte hun opgewonden indianengehuil los.

Gelukkig had ik de sleutels nog.

Wanhopig graaide ik door de gescheurde stof voor mijn voeten.

De sleutel zat er niet bij.

Ik keek door het ruitje naar de rest van mijn sarong…

Ik ben niet iemand die snel zijn tranen laat zien. Alleen vorig jaar tijdens de begrafenis van Oma Wipkaas was het me te machtig geworden. Maar nu moet ik toch bekennen dat ik op de dag van het feestje van Rachid tranen met tuiten heb gehuild.